De Windtunnel van de Klei

Een tijdje geleden was het weer zover. De windmeter op het dak stond haaks, bedreigend te tollen op windkracht zes uit het noordwesten. Code geel voor de gemiddelde burger, maar voor de dames en heren van TCG simpelweg ‘een lekker briesje om de benen te testen’.
Als ’tijdelijke’ Luistervink van de club zit ik er altijd warmpjes bij. Ik luister naar de sterke verhalen, de fysiologische theorieën en de pure wielerlatijn die over de tafels rollen. De nieuwste trend dit seizoen? Krachttraining. Niet zomaar een beetje squatten, nee, het zware werk. “Core-stability, Luistervink,” fluisterde een clubgenoot me vorig weekend nog gewichtig toe, terwijl hij zijn strakke lycra shirt over een buikje trok dat ook stabiel strak was gevormd. “Dat heb je nodig op het vlakke. IJzer vreten om de polder te temmen.” Dus stonden we aan de start. De mannen die de hele winter in de sportschool hadden doorgebracht, pielden nerveus aan hun Garmin. Hun bovenbenen zagen er inderdaad indrukwekkend uit. Type ‘massa is kassa’. Ze keken naar de polder zoals Max Verstappen naar een leeg circuit kijkt: hier ging topsnelheid gereden worden.

En toen draaiden we de dijk op. Vol de wind van voren.

Nu is windkracht zes in West-Friesland geen gewone wind. Dat is een muur van elastiek. Een onzichtbare hand die je met de vlakke hand in je gezicht slaat en zegt: ‘En nu terug naar Grootebroek.’
Onze ‘krachtpatsers’ staken direct van wal. De ketting rechts, de tanden op het stuur, de blik op oneindig. Je zag de sportschool-spieren rillen van pure bewijzingsdrang. De eerste kilometers gingen hard, heel hard! Ik vroeg zelfs of het iets langzamer kon? De wattages schoten bij mij door het dak. “Zie je wel!” brulde een van de heren over zijn schouder, zijn aderen zo dik als tuinslangen op zijn slapen. “Krachttraining! Pure winst!”

Maar de polder wint altijd.

Na drie kilometer begon de wet van de verminderde meeropbrengst te gelden. De sportschool-windtunnels begonnen scheurtjes te vertonen. De cadans zakte van een soepele negentig omwentelingen naar de trapefficiëntie van een haperende betonmolen. Het tempo dropte hard. Van tweeendertig kilometer per uur, naar achtentwintig, naar… pffff. De enorme spiermassa, die in de sportschool zo mooi glansde in de spiegel, bleek vooral heel veel zuurstof te verbruiken. Zuurstof die er bijna niet meer was.
En daar, precies op het dieptepunt van het lijden, gebeurde het.
Vanachter uit de luwte van het peloton rees onze reddende clubgenoot op. Net gepensioneerd, gezegend met benen als satéprikkers en rijdend op een carbon ros, die zo uit de toekomst kon zijn getransformeerd. Hij had de hele winter zich goed voorbereid met koffie en een gevulde koek bij de bakker. Met een cadans van een super Singer-naaimachine en een glimlach van oor tot oor reed hij als een bonkige krachtpatser op kop, alleen! Wij als een elegante slang erachteraan. Hij dreef niet op spiermassa, maar op polder-ervaring en puur West-Fries flegma richting Den Oever.

“Gaat ie lekker, mannen?” riep hij over het gierende windgeruis heen. “Liggen er soms gewichten op jullie bagagedrager?”

Het was een prachtig gezicht. De andere elite zat geparkeerd tegen de noordoostenwind, met de tong op het voorwiel, terwijl de satéprikkers gestroomlijnd door de storm sneden. Krachttraining is leuk voor de spiegel, maar in de polder telt maar één ding: soepel blijven draaien en vooral niet te groot willen schakelen.
Terug in Grootebroek was de hiërarchie direct hersteld. De heren met de dikke benen fietsten stilletjes naar huis.
Onthoud het goed, TCG: de sportschool heeft geen windmachine. Volgende keer trainen we gewoon weer waar we het beste in zijn: koffie drinken, wind mee terug claimen en hopen dat de dijk een keertje omlaag loopt.
De Luistervink